Elektronische nieuwsbrief -  Jaargang 2018 - Inhoud

eMagazines

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019

lente | zomer | herfst | winter

Tientallen pagina's onuitgegeven materiaal, studies, vertalingen, recensies, reportages, dat is wat je mag verwachten van dit e-Magazine in PDF-formaat. Om het te ontvangen (vier gewone nummers en een themanummer per jaar) moet je lid worden van het Studiecentrum Als Catars.
Gratis proefnummer? Stuur een mailtje naar e-magazine@katharen.be

14de jaargang – e-Magazine 61 – winter 2018

Kathaarse vrouwen in de 13de-eeuwse Occitaanse maatschappij


Met de oprichting van het ‘Centre National d’Etudes Cathares’, later omgedoopt tot ‘Centre d'Etudes Cathares/René Nelli’, in 1981 en de aanstelling van Anne Brenon als directrice, werd het moderne onderzoek naar het katharisme op wetenschappelijke basis definitief op gang getrokken. In zijn dertigjarig bestaan realiseerde dat onderzoekscentrum heel wat unieke projecten, waaronder het historisch-wetenschappelijk tijdschrift ‘Heresis’ dat zonder meer toonaangevend mag genoemd worden. Later werd ook nog een meer vulgariserende publicatie, ‘Histoire du Catharisme’, uitgegeven.
Dat Anne Brenon een bijzondere interesse had voor de rol van de vrouw in het katharisme blijkt duidelijk uit haar studie ‘Les Femmes Cathares’ uit 1992, waarin ze de rol en het belang van de kathaarse vrouwen in de geschiedenis van de Languedoc uitvoerig uit de doeken doet. Ook in later werk als ‘Le choix hérétique’ en de roman ‘l’Impénitente’ besteedt ze veel aandacht aan die dissidente vrouwen.
In haar voetspoor volgt later de jonge Duitse onderzoekster Gwendoline Hancke die zich in de buurt van Pamiers vestigt en twee bijzonder interessante studies rond de kathaarse vrouwen aflevert: ‘Les Belles Hérétiques’ in 2001 en ‘Femmes en Languedoc’ in 2006. Via Anne Brenon en het CEC/René Nelli legt Gwendoline Hancke ook contacten met professor Daniela Müller die reeds in 1996 in Duitsland ‘Frauen vor der Inquisition’ had gepubliceerd. En zo vormden deze drie vrouwen uiteindelijk de academische pijlers voor het ernstige wetenschappelijke studiewerk over de rol van de vrouw in het katharisme. Vermeldenswaard is ook nog het werk van Miquèla Stenta, professor Occitaanse literatuur, die in 2012 het essay ‘Femnas e Dòmnas Occitanes‘ publiceerde dat eerder de relatie van de Occitaanse vrouwen met de troubadourskunst belicht.

–––––
De vele religieuze groeperingen die in de marge van de orthodoxe kerk in de middeleeuwen ontstaan en die hun leer grondvesten op de vroegchristelijke apostolische kerk, kennen aan vrouwen en mannen een gelijkwaardige status toe. Die dissidente bewegingen doorbreken met hun standpunten heel wat rooms-katholieke dogma’s, zoals onder meer de cultus rond relieken, de verering van afbeeldingen van heiligen en het kruis – de zogenaamde valse sacramentele praktijken –, het dopen van kinderen die nog niet ten volle de jaren van verstand bereikt hebben en het huwelijk dat volgens hen een louter burgerlijke kwestie tussen twee personen is die niet kerkelijk moet geheiligd worden.
Michel Gybels belicht de rol van de vrouw in de kathaarse gemeenschappen uit de 13de eeuw en laat ons tevens kennismaken met de belangrijkste kathaarse vrouwen.

De ‘Roca de Buc‘ en de strijd van de Fransen tegen Raimon II Trencavel

De militaire expeditie van het Franse koninklijk leger, in de herfst van 1240, geleid door kamerheer Jean de Beaumont en nog enkele andere belangrijke Franse adellijke heren, en met als doel de bevrijding van Carcassonne dat belegerd werd door Raimon II Trencavel en zijn ridders faidits, is een van de cruciale militaire exploten in de geschiedenis van de kruistocht tegen de katharen en hun beschermers.
Recent archeologisch onderzoek uit 2017 en 2018 laat ons ook toe om de identificatie van de Roca de Buc, genoemd in de onderzoeken van de Franse koning Lodewijk IX de Heilige, te herzien en aan de hand van die nieuwe onderzoeksresultaten het parcours van het Franse leger bij de achtervolging van Raimon II Trencavel en zijn manschappen doorheen het gebied van de seneschalk van Carcassonne op een relevante manier te reconstrueren.

–––––
Michel Gybels verhaalt hoe recent archeologisch onderzoek uiteindelijk een einde maakte aan de jarenlange zoektocht naar de ‘Roca de Buc’. De plaats werd belegerd tijdens de veldtocht van Jean de Beaumont en het Franse leger in 1240, maar de juiste locatie was onbekend. Jarenlang werd er blindelings van uitgegaan dat het om de burcht van Belcastel (Belcastel-et-Buc) ging. Onterecht, zo blijkt nu...

En de Languedoc wordt Frans...

In 1095 deed paus Urbanus II in Clermont een opmerkelijke oproep tot de wereldlijke heersers om een ‘kruistocht’ op de been te brengen met als doel Jeruzalem en de heilige plaatsen te bevrijden van de Turkse bezetter. Wie had er toen kunnen vermoeden dat op een dag, een flinke eeuw later, een andere paus een andere kruistocht zou lanceren in christelijk gebied, niet gericht tegen ‘ongelovigen’, maar tegen mannen en vrouwen die zichzelf ‘christenen’ noemden?
Dat was nochtans precies wat er gebeurde toen paus Innocentius III op 28 mei 1204 de Franse koning opriep om op te trekken tegen de katharen (men zei toen ‘albigenzen’) in de toekomstige Languedoc, en hij hem in ruil de vergeving van zijn zonden beloofde, “zoals die ook worden vergeven aan zij die overzee vertrekken om het Heilig Land te bevrijden”. En de Heilige Vader wees meteen de graaf van Toulouse, Raimon VI, aan als “medeplichtig aan ketterij”, omdat hij de katharen in zijn gebieden toeliet en verklaarde dat hij zich daardoor blootstelde aan de inbeslagname van zijn bezittingen... Hij suggereerde zelfs aan de koning om het graafschap Toulouse gewoon te annexeren!
Philippe Auguste was niet zo gelukkig met de inmenging van de Heilige Stoel in zijn koninkrijk. Hij legde aanvankelijk alle oproepen van de paus naast zich neer en blokkeerde zo diens ‘albigenzische kruistocht’. Maar in 1208 werd pauselijk legaat Pierre de Castelnau vermoord. Innocentius III lanceerde onmiddellijk een nieuwe oproep, ditmaal gericht aan alle christelijke ridders, het was een ultieme en plechtige oproep om de wapens op te nemen tegen de graaf van Toulouse, die beschuldigd werd – zonder dat daar ook maar één bewijs voor werd aangevoerd – deze misdaad te hebben bevolen. Deze keer kon Philippe Auguste niet anders dan toegeven. Ondanks het feit dat hij nog altijd weigerde zich persoonlijk te engageren, gaf hij toestemming aan zijn vazallen om ‘het kruis op te nemen’.

–––––
De ‘kruistocht tegen de albigenzen’ duurde van 1209 tot 1229, dat is maar liefst twintig jaar... Maar zoals gewoonlijk was de werkelijkheid genuanceerder, eigenlijk ging het om meer dan één kruistocht. Specialist Michel Roquebert zet voor ons nog eens de puntjes op de i.

Guillaume de Puylaurens, kapelaan van Raimon VII of notaris van de Inquisitie?

Guillaume de Puylaurens, geboren in 1201 of 1202 en overleden omstreeks 1275, was met absolute zekerheid afkomstig uit Toulouse, wat blijkt uit zijn jeugdherinneringen die hem linken aan die stad. In Toulouse zag hij in zijn jeugd onder meer de adellijke heer Isarn van Verfeil, achtervolgd door de vervloeking van de heilige Bernardus voor diens steun aan het katharisme, op hoge leeftijd volledig verarmd een ellendig bestaan leiden. Hij bewaarde ook de herinnering aan een ketter uit Lavaur, bekeerd in 1170, die kanunnik werd van Saint-Etienne en die bekend was onder de naam Bernat Raimon l’Arien. Verder herinnerde hij zich ook het beeld van het vertrek van de leden van de Witte Broederschap, die gingen deelnemen aan de belegering van Lavaur in 1211, op de Place de Montaygon in Toulouse. De graaf trachtte hen te beletten de stad te verlaten door de weg te versperren aan de poort van Saint-Etienne. In zijn verslag over de volksopstand, na de inname van Pujol in juli 1213 door het kruisleger, die eindigde met het ombrengen van alle gevangenen, geeft de kroniekschrijver tal van details over die gebeurtenissen: een van hen werd met geweld uit de kerk van Taur gesleurd waarin hij zich had verscholen. Verder bewaarde Guillaume de collectieve herinnering aan het débacle van de slag bij Muret in september 1213 waarbij onder meer koning Pere II van Aragon sneuvelde en de Occitaanse coalitie werd verslagen door de troepen van Simon de Montfort. Ongetwijfeld was hij ook in Toulouse bij de gebeurtenissen van 1217 en 1218 aangezien hij als getuige een impressie geeft van de dood van Simon de Montfort.
–––––
De kroniek van Guillaume de Puylaurens is, ondanks zijn beknoptheid, een waardevolle bron voor de studie van de geschiedenis van de Albigenzische kruistocht en van het graafschap Toulouse gedurende de eerste helft van de 13de eeuw. In zijn werk licht hij ons eerder summier in over zijn persoon en zulks op een indirecte manier en met de nodige discretie. De kroniekschrijver is vooral geïnteresseerd in de evenementen waarbij hij zelf aanwezig was of waar hij heeft over horen praten, waardoor zijn tekst heel wat belangrijke en boeiende feiten uit die geschiedenis aan het licht brengt. Maar wie was Guillaume de Puylaurens? Michel Gybels bekijkt wat we over hem weten.

De Schaduw van het Kruis – Deel 4

Het ineengezakte silhouet van de kleine verlaten kerk tekende zich als een onwezenlijk skelet af tegen de vurige hemel.
Toch was er ooit leven geweest in dit afgelegen dorp op de flank van een heuvel aan de rand van het woud op slechts vier uur gaans van Toulouse. Maar de Fransen waren driemaal langsgekomen. In 1212 waren er tien katharen op de brandstapel gezet. Zes jaar later had Foucaud de Berzy de huizen geplunderd, het vee meegevoerd en alle dorpelingen die niet tijdig gevlucht waren omgebracht.
En alsof dat nog niet volstond, hadden de troepen van Humbert de Beaujeu in 1217 de overlevenden opgehangen na een beschuldiging van het verbergen en helpen van faydits. Vervolgens hadden ze het dorp in brand gestoken waardoor alle huizen werden verwoest en het dak van de kerk voor een deel instortte. Wie toch deze slachtpartij had overleefd, was ongetwijfeld ver weggevlucht en had de uitgedroogde aarde en de enkele muren die nog overeind stonden overgelaten aan een leger van hagedissen en slangen...
De ondergaande zon zette de horizon achter de heuvel in vuur en vlam.
Vanop de top van de grote bemoste rots die uitstak boven het dorp, zag de wachter de Garonne naar het westen kronkelen waar hij naar de hemel leek te willen opstijgen, naar de vurige rode schijf die al voor de helft door de aarde was opgegeten. Ook het water van de rivier had intussen de kleur van gloeiende kolen aangenomen. De wachter geeuwde en veranderde van houding. Hij keek naar beneden, naar de oude kerk. Het uur van de completen zou nu snel aanbreken, maar het zouden niet de klokken van deze verlaten plek zijn die het zouden aankondigen.
Hier had God geen stem meer...
In één van de drie huizen die grotendeels door de vlammen waren gespaard, en die intussen weer een beetje waren opgeknapt, werden olielampen, caleilhs, aangestoken en hun welkome gloed verjoeg de duisternis. Gezeten rond een enorme boerentafel wachtten de faydits op de terugkeer van Guilhem de Bélesta.

–––––
De vierde aflevering van ‘De Schaduw van het Kruis’, een historische roman van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Brief van de voorzitter, Azalaïs Trobairitz.

Top

14de jaargang – e-Magazine 60 – herfst 2018

Montségur, meer dan een halve eeuw archeologisch onderzoek


In juli verscheen bij uitgeverij Les Trois R het langverwachte boek van André Czeski, ‘Montségur - Nouveau Regard’. Het bevat het verslag van tientallen jaren archeologisch onderzoek in Montségur. Archeoloog André Czeski was drieëntwintig toen hij in 1970 voor het eerst de site bezocht, en hij is er sindsdien, bij wijze van spreken, nooit meer weggegaan. Begonnen als vrijwilliger, was hij van 1975 tot 1980 verantwoordelijk voor de opgravingen in de burcht. Sinds 1981 is hij verantwoordelijk voor het archeologisch onderzoek op de hele site.
In dit boek bundelt hij de resultaten van dat onderzoek dat in 1958 nog vrij primitief werd opgestart door een plaatselijke vereniging van amateur-speleologen. Ook voordien hadden er al opgravingen plaatsgevonden, maar dan meestal illegaal door ‘verlichte geesten’ die op zoek gingen naar een ondergronds gangenstelsel waar ze de heilige graal of de schat van de katharen dachten te zullen vinden. We kunnen daar nu wel eens om lachen, maar er werd op die manier ook heel wat onherstelbare schade aangericht. En ook de overheid ging in de fout, want om die ‘wilde opgravingen’ tegen te gaan, lieten zij de bodem in de burcht afgraven tot op de rots. Het zand werd buiten de muren op een hoop gegooid. Niet meteen een werkwijze waar een archeoloog vrolijk van wordt...

–––––
Marc Bogaerts stelt u het boek Montségur - Nouveau regard voor, waarin archeoloog André Czeski verslag uitbrengt van zestig jaar archeologisch onderzoek op de historische site van Montségur. Dat onderzoek liep van 1958 tot 2005 en de resultaten zijn bepaald indrukwekkend. De kathaarse nederzetting en de Franse burcht werden in kaart gebracht. Van de honderden archeologische vondsten die werden gedaan, kunnen er slechts een beperkt aantal tentoongesteld worden in het museum. Maar als de plannen voor een nieuw museum geen vertraging oplopen, kunnen we vanaf 2020 terecht in een veel groter gebouw dat aangepast zal zijn aan de nieuwste technologieën.
De publicatie van dit boek zet bovendien de deur op een kier voor nieuwe archeologische campagnes, want hoewel er de afgelopen decennia bergen werk werden verzet, is het einde nog lang niet in zicht!

Gesprekken in Montségur

André Czeski (°1947) interesseerde zich reeds van jongs af aan voor de middeleeuwse geschiedenis van Frankrijk. In maart 1970 bezocht hij als jonge archeoloog voor de eerste keer de burchtruïne van Montségur en vijf maanden later sloot hij zich aan bij de onderzoekers van de G.R.A.M.E. (Groupe de recherches archéologiques de Montségur et environs) in die tijd geleid door Marie-Louise Durand. Vanaf dan liet de geschiedenis van Montségur hem niet meer los en nam hij deel aan alle archeologische campagnes op de site. Van 1975 tot 1980 was hij werfleider van de opgravingen binnen de omwalling van de burcht en in 1981 werd hij verantwoordelijk voor het archeologisch onderzoek op hele site.

Tristan Bergerot die, net als André Czeski, in Montségur woont en al vele jaren gefascineerd is door de geschiedenis van de site, is vooral bekend voor zijn DVD-film ‘Montségur – de l’envol à la chûte’, die hij realiseerde met medewerking van André Czeski, gids en archeoloog Fabrice Chambon, historicus en animator Olivier de Robert en Claude Marsol die 11 jaar lang meewerkte aan de archeologische opgravingen in Montségur. Die film verraste de kijkers vooral door de vele knap gemaakte virtuele 3D-reconstructies van de site, een medium waarin Tristan gespecialiseerd is.

Fabrice Chambon is archeoloog en cultureel afgevaardigde van de gemeente Montségur en maakt als gepassioneerd gids de bezoekers aan Montségur wegwijs in het kathaarse verleden van de site. Hij is dus best geplaatst om ons in te lichten over het ‘project 2020’, de vergevorderde plannen voor een nieuw museum en een bezoekerscentrum, die zouden moeten gerealiseerd zijn tegen 2020.

Michel Roquebert, zopas 90 jaar geworden, is zowat de éminence grise en een grote autoriteit wat betreft de geschiedenis van het katharisme en alles wat daarmee samenhangt. Hij is vooral bekend om zijn talrijke publicaties, waaronder zijn magistrale vijfdelige ’l’Epopée Cathare’, ‘Les Citadelles du Vertige’, ‘Les Cathares et le Graal’ en nog vele andere boeken en artikels die in de loop der jaren zijn verschenen in tijdschriften en kranten. Samen met René Nelli, Jean Duvernoy, Anne Brenon, e.a. ligt hij aan de basis van het historisch-wetenschappelijk onderzoek naar de geschiedenis van de katharen en hun religie. Wat minder mensen weten is dat hij van 1984 tot 1994 in Montségur woonde en er toen voorzitter was van de G.R.A.M.E. (Groupe de recherches archéologiques de Montségur et environs), de organisatie die verantwoordelijk was voor het archeologisch onderzoek.

–––––
Naar aanleiding van het verschijnen van het nieuwe boek van André Czeski, Montségur - Nouveau regard, trok Michel Gybels naar Montségur en sprak er met vier mensen die een belangrijke rol gespeeld hebben, of nog spelen, bij het ontrafelen van de geschiedenis van deze iconische plek.

800 jaar geleden: Simon de Montfort belegert Toulouse

Eind augustus 1216 vernamen de inwoners van Toulouse dat Simon de Montfort en zijn ridders op de terugweg waren van hun veldtocht in de Provence. Die veldtocht was niet zo goed verlopen, ze waren Beaucaire verloren, die stad was nu in handen van de zoon van graaf Raimon VI. Het gerucht deed de ronde dat ze zich voor die nederlaag wilden wreken op Toulouse, zeker toen bekend was geworden dat de inwoners van die stad in het geheim Raimon VI hadden gevraagd om terug te keren uit zijn ballingschap in Aragon en de strijd weer op te nemen.
Toen de kruisvaarders de stad naderden, gingen notabelen en burgers hen tegemoet om Simon de Montfort te vragen de stad niet gewapend binnen te trekken. Ze vertelden hem dat er bloemenslingers in de straten waren opgehangen om hem te verwelkomen omdat de paus had beslist dat hij voortaan hun heer zou zijn. Bisschop Foulque was het daar niet mee eens, hij drong bij Simon de Montfort aan om de stad te plunderen, zodat hij met de veroverde rijkdommen een groot en sterk leger zou kunnen uitrusten waarmee hij vervolgens alle vijanden van de kruisvaarders zou verslaan. Maar zijn broer Guy de Monfort raadde hem een dergelijke actie, die hij schandelijk vond, ten zeerste af.

–––––
Dit jaar is het precies 800 jaar geleden dat Simon de Montfort Toulouse belegerde. Het zou zijn laatste wapenfeit worden, want op 25 juni 1218 werd hij aan het hoofd getroffen door een projectiel uit een werptuig dat bediend werd door vrouwen en meisjes uit de stad (alle inwoners, mannen, vrouwen en kinderen, verdedigden mee hun stad) en hij zou het niet overleven. Meteen het signaal voor de graaf van Toulouse en zijn zoon om de herovering van hun gebieden, die was ingezet in de Provence, tot een goed einde te brengen. Michel Roquebert doet het relaas van de gebeurtenissen

De Schaduw van het Kruis – Deel 3

De angstaanjagende snuit van het dier kwam tot leven. Het was een hels beest met gapende kaken en bleke, bolvormige ogen die dansten tussen woedende schaduwen. De onheilspellende muil van het stenen monster vertoonde plots een grimas die zo bedreigend was dat legaat Jean de Bernin meteen ophield de brandende kaars heen en weer te bewegen. Rillend zette hij een stap achteruit, het was alsof hij de vuile adem van Satan op zijn gezicht had gevoeld. Toen verloor hij zijn belangstelling voor het indrukwekkende beeldhouwwerk en wendde zich naar het kleine altaar: een zilveren kruis stond op het perfect uitgehouwen granieten blok en weerspiegelde het kaarslicht op de muren van de crypte. "Zeker," mompelde hij, "het goddelijke licht kan de donkerste schaduwen doen verdwijnen..."
De gebeeldhouwde kapitelen die het gewelf ondersteunden trilden nog steeds terwijl de man naar het altaar liep. Maar zodra hij de kandelaar bij het kruis had neergezet, viel alles stil: de dieren, de engelen en de demonen, de menselijke gezichten, vredig of oorlogszuchtig, opgelucht of angstig, zelfs de acanthusbladeren werden verlicht en kwamen tot rust.
Jean de Bernin knielde op de vloer van aangestampte aarde. Hij wist dat hij zich in het hart van de zeer oude Saint-Exupèrekerk bevond, acht eeuwen eerder gebouwd in de tijd dat het christelijk geloof nog moest vechten tegen de barbaarse goden van die oude tijden. Hier in deze crypte bevond zich het graf van de heilige bisschop Saturnin, eigenlijk bestond de crypte uit de apsis van de oude kerk die was bewaard gebleven en geïntegreerd in de nieuwe majestueuze Saint- Serninbasiliek. De legaat vouwde zijn handen en liet zich even meedrijven met zijn droom, ervan overtuigd dat hij op die plaats de essentie van het Heilige bijna aan kon raken. Hij liet zijn blik meedrijven met de vergulde gloed, emanatie van de goddelijke krachten, en bad.

–––––
De derde aflevering van ‘De Schaduw van het Kruis’, een historische roman van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Vooraf, In memoriam Raymond Doms, Agenda, Azalaïs Trobairitz, Boekbespreking.

Top

14de jaargang – e-Magazine 59 – zomer 2018

De adellijke dynastie van Termes (12de- 13de eeuw)


In de loop der jaren werden heel wat genealogieën over de familie van Termes gepubliceerd. Historicus Guillaume Besse (1645) beweerde dat de dynastie een tak was van de familie van Cerdagne. En ook de genealogie van de familie van Rieux-Minervois (18de eeuw), gebaseerd op de vermenging van elementen geput uit verschillende oorkonden en kronieken en aangevuld met pure verzinsels om het prestige van die familie kost wat kost te onderlijnen, maakt melding van een band met de tak van Termes. Hetzelfde bedenkelijke procédé werd ook toegepast in de genealogie van de familie Mage. De genealogie van de dynastie van Termes, in 1976 op een colloquium voorgesteld door Claudine Pailhès, directrice van de Archives Départementales van de Ariège in Foix, op basis van het archief van de abdij van Lagrasse, is de meest ernstige, maar lijdt wel aan een gebrek aan bronvermeldingen en is bovendien nooit openbaar gepubliceerd. Gelet op die verwarrende studies is het noodzakelijk om de geschiedenis van de dynastie van Termes volledig te herzien. Bovendien beperken de meeste onderzoeken zich tot de figuur van Olivier de Termes, een 13de-eeuwse ridder met een uitzonderlijke persoonlijkheid die een groot prestige genoot. De meeste historici van de middeleeuwse Languedoc hebben wel enkele regels aan hem gewijd, in de eerste plaats Claude Devic en Joseph Vaissète (Histoire générale de Languedoc - 1730-1745), Jean-Pierre Cros- Mayrevieille (Histoire du comté et de la vicomté de Carcassonne - 1846) en meer recent Henri-Paul Eydoux (Les Grandes Heures du Languedoc - 1972). Volgens Fernand Niel en Jordi Costa i Roca was Olivier de Termes dan weer een verrader die zich ten dienste stelde van de Franse koning, Xacbert de Barbaira liet gevangennemen en vervolgens de burcht van Quéribus liet innemen.
–––––
Michel Gybels belicht de belangrijke rol van de adellijke familie van Termes tijdens de Albigenzische kruistocht (1209-1218) en in de geschiedenis van het katharisme in de Corbières en de Razès. Hij baseert zich daarvoor voornamelijk op het studiewerk van Gauthier Langlois die er in 2001 onder meer het boek Olivier de Termes – le cathare et le croisé (vers 1200-1274) heeft aan gewijd.
Gauthier Langlois was destijds verbonden aan het Centre d’Etudes Cathares/René Nelli, dat in 2011 verdween, en is nu bestuurslid van de Association d’Etudes Cathares/René Nelli en van de Société d’Etudes Scientifiques de l’Aude (SESA) in Carcassonne. Momenteel werkt hij aan een nieuwe thesis die specifiek handelt over de ontstaansgeschiedenis van de dynastie van Termes in de loop van de 10de eeuw en die in principe op het einde van 2018 zou moeten afgewerkt zijn.

De cultuurgeschiedenis van ‘handopleggingen’
tot de kathaarse toepassing


De verhandeling ‘De Kerk van God’ is een productie van het Occitaanse katharisme en dateert uit het midden van de 13de eeuw. Het is een authentieke bron, beschrijvend en normatief, waarvan de Belgische romanist Theo Venckeleer in 1960 het kathaarse karakter herkende. Dergelijke neutrale bronnen laten ons toe om het religieuze denken te bestuderen vanuit de eigentijdse beweging. Dat is onmogelijk met andere broncategorieën zoals antiketterse verhandelingen, dito preken, inquisitoriale stukken, verhalende kronieken, stichtende exempla, brieven, etc. De auteur is onbekend. Een en ander laat denken dat een collectief dit opstelde voor intern gebruik.
In het laatste en langste hoofdstuk (§ 11) behandelt deze tekst ‘... het spirituele doopsel met oplegging van de handen waardoor de Heilige Geest wordt gegeven zoals Deze Kerk dat gebruikt ...’ Men spreekt eveneens over het waterdoopsel van Johannes, dat echter slechts een voorbereiding is, zonder enige instorting van de Heilige Geest. Inderdaad, van al degenen die door Johannes waren gedoopt, diende de Heilige Geest pas bij Jezus te komen. De toon is gezet, de waterdoop is volgens deze katharen onvoldoende.

–––––
In de cultuurgeschiedenis is de hand zowat de belangrijkste fysieke schakel tussen de mens als individueel persoon, en de hem omringende wereld van andere mensen en dingen. Het handgebaar met of zonder aanraking van andere(n) is een universeel communicatiemiddel, met tevens een negatieve codificatie van de linkse hand en een positieve van de rechtse. Dit geldt voor alle menselijke culturen op onze planeet ongeacht de tijd. De symbolische waarde en kracht van de hand is navenant. In de iconografie is de hand reeds aanwezig op schilderingen in prehistorische grotten, enigszins zoals een schrijver die over zijn tekst zegt: ‘…van mijn hand’. De handoplegging is gekend in het sjamanisme als geneeswijze. En hoe vaak zien we in middeleeuwse schilderijen bovenaan niet ‘de hand van God’ verschijnen, die zo zijn hand als symbool van macht en zegen op de wereld en schepping legt?
Voor de mens is de kracht en waarde van symbolen hun vermogen om onmiddellijk informatie over te brengen, met een betekenis die de vorm ver te boven gaat. Dergelijke symbolen zijn vaak gekenmerkt door eenvoud en overstijgen taalkundige en culturele grenzen. Willy Vanderzeypen neemt ons mee op een boeiende tocht door de geschiedenis

Juristen contra Inquisitie: de zaak Pèire Aymeric

De tweede helft van de 13de eeuw wordt in de Midi gekenmerkt door de opkomst van het onderwijs en het gebruik van rechtsmiddelen. Aan de universitaire faculteiten van Orléans, Montpellier en Toulouse worden tal van juristen gevormd, zowel experten in burgerlijk recht als in canoniek recht of zelfs in beiden (utrumque jus). Die rechtsgeleerden vinden makkelijk werk als koninklijke officieren, als raadgevers van adellijke heren en prinsen of worden zelfs lid van het kerkelijke korps.
Twee belangrijke en bekende juristen uit die tijd waren Guillaume de Nogaret, afkomstig uit Saint-Félix- Lauragais, die onder meer betrokken was bij het proces tegen de Tempeliers, en Gui Foucois. Die laatste was eerst professor in de rechtsgeleerdheid aan de universiteit van Montpellier, diende vervolgens koning Lodewijk IX vooraleer bisschop te worden van Le Puy, werd dan aartsbisschop van Narbonne en uiteindelijk paus met de naam Clemens IV. Gui Foucois droeg bij zijn benoeming tot paus zijn universitaire graden over aan Bernard de Castanet, de latere bisschop van Albi, vooraleer hem naar Rome te roepen en hem belangrijke verantwoordelijkheden in de Romeinse Curie te geven.
Na 1250 werd de justitie en de administratie de zaak van gegradueerden, specialisten in recht, onder meer omdat de procedures langer en vooral complexer werden, wat blijkt uit diverse zaken waarbij de stad Albi, haar adellijke heren, haar inwoners en de consuls na 1250, en vooral in de periode 1291-1298, betrokken waren. Er is een duidelijke toename van vertragende juridische procedures, van wraking van getuigen en procureurs, en van verdagingen om de processen te laten aanslepen. In die periode zien we ook de toename van het aantal professoren in de rechtsgeleerdheid (legum professores), doctores aan de universiteit van Toulouse (doctores tholosani) en experten-juristen (jurisperiti).

–––––
In verschillende reeds eerder gepubliceerde artikelen in onze e-Magazines hebben we aangetoond dat de vele door de Inquisitie veroordeelde katharen en andere religieuze dissidenten geen enkel juridisch verhaal hadden tegen de uitspraken en veroordelingen van de kerkelijke rechtbanken. Zulks komt onder meer omdat er op geen enkele manier beroep noch cassatie kon worden aangetekend tegen die vonnissen.
Nochtans zijn er toch enkele schaarse gevallen bekend waarbij getracht werd om juridisch in te gaan tegen de Inquisitie. Eén van die gevallen is de zaak Peire Aymeric, waarbij de erfgename van die man getracht heeft om zijn bezittingen, geconfisqueerd wegens ketterij, alsnog te recupereren. In dit artikel staat Michel Gybels stil bij die merkwaardige zaak en maakt hij een analyse van de juridische stappen die werden gezet om het inquisitieproces te contesteren.

De Schaduw van het Kruis – Deel 2

Met een stevige duw in zijn rug ontweek een lachende Alazaïs de grijpende armen van Roger-Bernard d'Auriac. Ze zette haar voeten op de grond en stond snel op van het bed. Ze rekte zich verleidelijk uit. Haar naakte lichaam en de brede glimlach die ze naar haar geliefde stuurde gaven de jongeman de indruk dat de zon in de kamer was opgegaan. Hij beantwoordde haar glimlach en trok dan een pruillip omdat ze hem in de steek liet. Sinds een dag of vijf was dit een steeds terugkerend spelletje dat altijd op dezelfde manier afliep: het meisje keerde terug naar hem. En dan praatten ze met elkaar, ze voerden lange gesprekken. Ze praatten met woorden nadat ze dat uitgebreid met hun lichamen hadden gedaan.
De ridder hield niets voor haar verborgen, niets uit zijn verleden, ook niet zijn liefde voor Alix, en tot zijn verbazing leek Alazaïs geen jaloezie te voelen, hij zag dat als een minder vrouwelijk trekje van haar. Zijn liefde was er alleen maar door toegenomen, want hij twijfelde er niet aan dat ze er zelf voor had gekozen haar gevoelens voor hem verborgen te houden en dat ze in werkelijkheid alleen maar woede voelde telkens de naam van Alix viel. Eigenlijk had ze zo haar zaak gewonnen. Op vijf dagen tijd was er een onverdachte liefde ontstaan tussen de ridder en het meisje. Niets zou die nog kunnen stukmaken, daar was Alazaïs van overtuigd, zelfs niet het onwaarschijnlijke opnieuw opduiken van Alix die, wat haar betrof, meer en meer verdween in de mist van de legende...
De lucht op deze vroege ochtend van de eerste dag van juli 1218 was al warm en kondigde een hete dag aan. “Je hebt me nog niets over je familie verteld,” klaagde hij.
“Oh, ik ben de dochter van een hoer!” antwoordde ze. “En mijn vader is een man, dat staat vast, maar welke?” Ze keek naar het plafond en dan weer naar Roger- Bernard: “Moeder was heel mooi, ze was de populairste tippelaarster van Toulouse... Ze is hier gestorven.” Ze wees naar het bed waarop de ridder lag. “Daar...” Hij sprong op. “Ze was vrijgevig en goed,” ging Alazaïs verder, geamuseerd door zijn reactie, “ze is gestorven in het katholieke geloof en haar ziel is hier nooit teruggekeerd om te klagen.”

–––––
De tweede aflevering van ‘De Schaduw van het Kruis’, een historische roman van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Editoriaal, Agenda.

Top

14de jaargang – e-Magazine 58 – lente 2018

Hugh de Lacy, een Ierse graaf in dienst van Simon de Montfort


Via een netwerk van politieke connecties en opmerkelijke parallellen kan het 13de-eeuwse Ierland gelinkt worden aan de geschiedenis van de Albigenzische kruistocht in de Languedoc. Daarbij treedt vooral de figuur van Hugh II de Lacy, graaf van Ulster, op de voorgrond. In 1210 werd hij door de Engelse koning Jan zonder Land verdreven uit Ierland en bracht dertien jaar lang in ballingschap door in de Languedoc, waarna hij zijn Iers graafschap opnieuw kon innemen. Tijdens die jaren van ballingschap, die we in dit artikel volgen, werd hij zelfs aangesteld tot heer van Castelnaudary en van Laurac.
–––––
Dat het leger van Simon de Montfort, de militaire leider van de Albigenzische kruistocht (1209-1218), niet alleen bestond uit Franse troepen bleek reeds uit meerdere studies. Onder meer bij de slag van Montgey in 1211 zette Montfort een korps van Duitse en Friese kruisvaarders in die daar in de pan werden gehakt door het Occitaanse coalitieleger onder leiding van graaf Raimon-Roger van Foix, diens zoon Roger-Bernat en de ridder faydit Guiraud de Pépieux. Er wordt ook melding gemaakt van Vlaamse ridders en huurlingen in het leger van Montfort.
Minder geweten en misschien een beetje merkwaardig is dat ook een Ierse graaf meevocht met Montfort en dat hij door zijn uitzonderlijke militaire prestaties en strategische kennis opklom tot in de hoogste regionen van het kruisleger. Door zijn grote inzet werd hij zelfs beloond met het beheer over Castelnaudary en Laurac. Het gaat hier om Hugh II de Lacy wiens indrukwekkende carrière in de Languedoc Michel Gybels in dit artikel nader belicht.

Het raadsel van de zwevende tekst

Ten prooi aan een vlaag van lichte verbijstering doorbladerde ik het pakketje dicht beschreven bladzijden. Het was mijn eigen handschrift, zoveel was duidelijk. En die titel, wel, in alle eerlijkheid, ik had die ook kunnen bedenken: “God heeft de aarde verlaten”. Maar de ontgoocheling volgde snel, want de naam van de auteur stond erbij: René Nelli. Ik had dus ooit een artikel van René Nelli vertaald en ik herinnerde mij daar niets van.
Hoe dan ook, het origineel moest hier ergens liggen. Ik bewaar immers elk snippertje papier dat ook maar iets te maken heeft met het katharisme. Maar hoe ik ook zocht, nergens vond ik een spoor terug van een artikel, dat, als ik het goed had, onder de titel “Dieu a quitté la terre” ooit het levenslicht zou moeten gezien hebben. Het internet dan maar. Niets. Virtueel proberen het oeuvre van Nelli te raadplegen. Ergens een publicatie in één of ander tijdschrift? Niets.

–––––
Bij toeval ontdekte Mieke Felix dat ze ooit een tekst van René Nelli had vertaald, hoewel ze zich daar niets meer van herinnerde. Uiteindelijk bleek het om het laatste hoofdstuk te gaan uit Les cathares et l'éternel combat, een boek uit 1972. Ondanks het feit dat de tekst bijna een halve eeuw oud is, is deze visie van René Nelli op het dualisme nog steeds boeiend.

God heeft de aarde verlaten

In een artikel dat verscheen in het tijdschrift Synthèses (nr 103, dec 1954) vraagt Edmond Rochedieu zich af hoe het komt dat het manicheïsme, na aanvankelijke successen, toch gefaald heeft. Hij meent dat dat te maken heeft met de twijfel over de uitkomst van de strijd tussen goed en kwaad. Een godsdienst die oproept tot een strijd tegen het kwade principe, moet de zielen die het wil redden ervan overtuigen dat ze gelooft dat het goede principe uiteindelijk de overwinning zal behalen.
Ik denk nochtans niet dat het manicheïsme en het katharisme, voor zover ze zich inspireerden op het dualisme, er ooit van uit zijn gegaan dat het kwaad niet zou overwonnen worden. Maar het is juist dat deze twee godsdiensten geen uiting geven aan hetzelfde beate optimisme dat alle andere kenmerkt in verband met de de werkelijke situatie van de mens in de wereld. Dat wil niet zeggen dat ze hun volgelingen alle hoop ontnamen. Eigenlijk is het katharisme, dat leert dat alle zielen zullen gered worden, geruststellender dan de katholieke leer waarin gesteld wordt dat velen onder ons, wellicht het merendeel, voor eeuwig verdoemd zullen zijn. Katharen en manicheeërs beweren dat er nog niets beslist is. En, alhoewel de overwinning van het goede op het kwade uiteindelijk zal bewerkstelligd worden, toch zal het kwaad niet ten gronde vernietigd zijn.

–––––
Mieke Felix vertaalde het laatste hoofdstuk uit Les cathares et l'éternel combat, een boek van René Nelli uit 1972. Zijn visie op het dualisme mag dan een beetje gedateerd zijn, ze is ook vandaag nog boeiend om lezen.

Het katharisme in de schaduw van de abdij van Sorèze

Sorèze ligt in het departement Tarn en is vooral bekend om zijn indrukwekkende abdij. Bij het begin van de 13de eeuw bestond die abdij reeds vijf eeuwen en werd ze rijkelijk gesteund door de graven van Toulouse en de burggraven van Albi, Béziers en Carcassonne. De grote feodale heren uit de regio genoten mee van haar rijkdom en kregen een deel van haar inkomsten in ruil voor hun bescherming. De machtige heren van het nabijgelegen Rocafort (Roquefort de la Montagne Noire) gingen zelfs in conflict met de abten van de abdij. Ze beklaagden zich erover dat de bewoners van hun leen Berniquaut die plaats verlieten om zich in de stad te vestigen die rond de abdij was ontstaan, waardoor ze inkomsten en opbrengsten van hun landerijen moesten derven bij gebrek aan voldoende werklieden.
Zonder een echt feodaal machtsblok te vormen bleef de abdij heer en meester in Sorèze, zelfs in de loop van de tweede helft van de 12de eeuw die constant verstoord werd door de rivaliteit tussen de graven van Toulouse, de Trencavels van Carcassonne en de graven van Foix. Die strubbelingen zorgden er onder meer voor dat het katharisme zich in Sorèze en omgeving vrij kon ontwikkelen. De monniken van de abdij waren zelfs heel tolerant ten opzichte van de dissidentie, wat later zou resulteren in beschuldigingen van bepaalde auteurs dat de religieuzen helemaal gewonnen waren voor het katharisme.

–––––
In vroeger gepubliceerde artikelen hebben we gezien dat tal van adellijke heren uit de castra in de Montagne Noire, de Lauragais en de Corbières, het katharisme gunstig gezind waren en het zelfs steunden en beschermden. Maar dat een kathaarse gemeenschap zich kon vestigen in de schaduw van een rooms-katholieke abdij, zonder daarbij ook maar enige tegenstand te ondervinden, is wel uitzonderlijk. Michel Gybels zocht het voor ons uit.

De term ‘katharismen’: productie, receptie en exploitatie

Het terminologische voorstel van de Spaanse medieviste Pilar Jiménez- Sanchez om naast het enkelvoud van het woord ‘katharisme’ ook het meervoud te gebruiken, was in Studiecentrum Als Catars reeds lang bekend voor de verschijning van haar boek in 2008. Zij had ons immers enkele jaren eerder welwillend inzage gegeven van haar thesismanuscript, dat ze in 2001 cum laude had verdedigd. Nadien zou Pilar bijna zeven jaar lang haar manuscript voortdurend vermeerderen en actualiseren. Ze verruimde het historische raamwerk van haar thesis en verbeterde de resolutie van de maatschappelijke achtergrond.
We voelden ons betrokken, en dat was haar bedoeling want als jonge en bijwijlen gecontesteerde onderzoekster kon ze de onverwachte steun uit de Lage Landen best gebruiken. Vrij snel volgde een positieve receptie van haar concepten in de kring van het Centre d’Etudes Cathares René Nelli (CEC) te Carcassonne, waarvan Pilar vijf jaar wetenschappelijke directrice was. Tevens was zij in die periode de mederedactrice van het internationale wetenschappelijk tijdschrift Heresis. Zo werden haar ideeën spoedig ruim verspreid, en meestal gunstig ontvangen en verder geëxploiteerd. Reeds in de titel van Heresis nr. 42-43 (2005) staat het meervoud: Catharismes, sorcellerie et dissidences médiévales.

–––––
De meervoudsvorm ‘katharismen’ werd in 2008 ‘gelanceerd’ door Pilar Jiménez-Sanchez in haar boek Les Catharismes. Modèles dissidents du christianisme médiéval (XIIe-XIIIe siècles). Sindsdien wordt dat meervoud ook sporadisch door andere historici gebruikt, al is niet iedereen daar even gelukkig mee. Willy Vanderzeypen geeft een overzicht.

Het dispuut van Montréal: de visie van de kroniekschrijvers

Met de bijeenkomst van Lombers in 1165 werd reeds aangetoond dat het katharisme duidelijk verankerd was in de Languedoc, ondanks de komst van Bernardus van Clairvaux naar de regio in 1145 om de dissidentie door prediking te komen bestrijden. Na de aanstelling van paus Innocentius III in 1198 kwam er een ernstige reactie vanuit Rome, zo volgden er tal van preken en publieke debatten tussen katholieken en katharen met als doel de ‘verdwaalde schapen’ terug te leiden naar de schoot van de roomse moederkerk. Dat bekeringswerk werd in het begin toevertrouwd aan cisterciënzers die de streek doorkruisten om te proberen de ketters op andere gedachten te brengen.
Sleutelmoment is de komst van Dominicus en zijn bisschop Diego van Osma, in juni 1206, naar de regio van Montpellier. Die Castiliaanse prelaten hanteerden een nieuwe methode om de katharen op een efficiëntere manier naar de juiste roomse doctrine te leiden, meer bepaald door zich nederig tussen de mensen te bewegen en zich in te leven in hun leefwereld. Maar hun missie draaide uiteindelijk uit op een patstelling. Telkens ze in discussie gingen met katharen ontmoetten ze een sterke tegenstand waartegen ze met hun argumenten niet konden optornen. Het ging zelfs zo ver dat ze het voorwerp van spot werden.

–––––
Het dispuut van Montréal, dat volgens de meeste bronnen plaatsvond in de lente van 1207, hoogstwaarschijnlijk in de loop van de maand april, kan beschouwd worden als een van de meest betrouwbare en belangrijke bronnen over de geschiedenis en de leerstellingen van het katharisme. We kunnen zelfs stellen dat het hier gaat om de grootste bekende confrontatie tussen de roomse kerk en de katharen. In dit artikel toont Michel Gybels ook aan dat de doctrinale stellingen van het katharisme, die tijdens dit dispuut voor het eerst duidelijk werden omlijnd, ook nog doorwerkten bij de vroege protestanten in de Midi.

De Schaduw van het Kruis – Deel 1

De vrouw werd opgeslokt door de menigte, een nauwelijks te onderscheiden schaduw tussen de andere ochtendschaduwen, op de hoek van een steeg die werd overspoeld door wagens en karren, geladen met wapentuig, vergeten gewonden, balancerend op de grens van leven en dood, en vermoeide soldaten.
Roger-Bernard d'Auriac verstarde. Heel even kwam hij in de verleiding om haar na te roepen, om de vluchtende verschijning te achtervolgen. Maar hij was helemaal niet zeker of hij haar wel echt herkend had... Bovendien bewogen zich binnen de wallen van het belegerde Toulouse zoveel opgewonden, haastige, doodsbange mensen, dat elke poging om haar terug te vinden in die drukte verloren moeite zou zijn. En bovendien had hij het ongetwijfeld mis. Dat kon niet anders. Vorig jaar was de vrouw aan wie hij nu dacht teruggekeerd naar het woud, naar de wolven, de echte deze keer, en zij had geen enkele reden om hier te komen ronddwalen tussen mensen, valse wolven en echte roofdieren... Toch trachtte Roger-Bernard met zijn bloeddoorlopen ogen, resultaat van een gebrek een slaap, in de menigte te kijken, hij stond op de toppen van zijn tenen om er bovenuit te kunnen kijken en probeerde de vluchtende schaduw met de zwarte mantel terug te vinden... Hij realiseerde zich snel dat zoiets verloren moeite was: het anonieme silhouet was verdwenen, opgelost in de menigte, een uitzwermend monster dat bestond uit honderden vrouwen, burgers, ambachtslui, in ijzer geklede soldaten en ridders met helmen en schilden die de verse sporen droegen van harde zwaardslagen. Spoedig zou het een jaar geleden zijn dat de bevolking van Toulouse in opstand was gekomen en zo de Fransen verplicht had de stad opnieuw te belegeren. Sindsdien waren de straten van de oude stad in de greep van oorlog, die woeste krijger met de vele gezichten, het ene nog vermoeider dan het andere door maanden van hevige strijd, en werd het elke dag moeilijker om in deze omstandigheden nog iemand te herkennen. En toch dacht Roger-Bernard d'Auriac dat hij Alix gezien had... Na een korte aarzeling haalde hij zijn schouders op. In zijn gedachten dook ze overal op, bij elke stap die hij zette en zelfs in zijn slaap: mooi en wild verscheen ze in zijn dromen als een verwijt, als een eeuwigdurende pijn. Hij wendde zich af en haalde diep adem. Dit had allemaal geen zin meer. Hij had zich aan de oorlog gegeven. En dat was ongetwijfeld een vrouw die hij beter niet kon dwarsbomen. Hij moest dag en nacht paraat staan voor haar. Haar te kort doen, zijn woord breken of haar in de steek laten betekende zoveel als zichzelf aan haar offeren!

–––––
De eerste aflevering van ‘De Schaduw van het Kruis’, een historische roman van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Editoriaal, Azalaïs Trobairitz.

Top

lente | zomer | herfst | winter

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019